museum voor vlakglas- en emaillekunst Ravenstein
 

Joep Nicolas

(Josephus Antonius Hubertus Franciscus) Roermond 1897 - Tegelen 1972

terug naar documentatie

Tekst overgenomen uit "Glas in lood in Nederland 1817-1968", Dr. Carine Hoogveld

Joep werd in 1897 als derde zoon van het gezin Nicolas te Roermond geboren. Van jongs af aan was hij vertrouwd met het glasatelier en het glazeniersambacht van zijn vader Charles en grootvader Frans Nicolas. Hij volgde een gymnasiumopleiding in Roermond en studeerde rechten aan de universiteiten van Fribourg en Amsterdam. Op aanraden van zijn vader ging hij in de leer bij Antoon Derkinderen aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Daarna staakte hij zijn universitaire studies en koos hij voor het kunstenaarschap.

Omstreeks 1921 introduceerde Derkinderen hem bij Pieter van der Meer de Walcheren die hem op zijn beurt in contact bracht met figuren van het katholiek reveil in Nederland. Hij maakte illustraties voor katholieke tijdschriften zoals Opgang en later ook voor De Gemeenschap.

Zijn eerste belangrijke monument als werk bevindt zich in de St Dionysiuskerk te Asselt (1922). Hier kreeg hij de kans afstand te nemen van de gotiserende benadering van zijn vaders atelier en een persoonlijke stijl te creeren. Uit 1923 dateren de abstracte beglazingen voor de St Johannes de Doper te Eygelshoven.

In die tijd leerde hij zijn vrouw kennen: Suzanne Nijs (1902-1985), een Belgische beeldhouwster, met wie hij in 1924 trouwde.

Het jaar daarop won hij de Vrouwe Vigeliusprijs met het schilderij Morte Fortior, een pieta voorstellend. In 1925 toonde hij op de grote Parijse tentoonstelling Exposition lntemationale des Arts Decoratifs et Industriels Modernes zijn Sint Maartensraam waarmee hij in Nederland furore had gemaakt en dat hem in Parijs behalve een gouden medaille ook de Grand Prix des Maitres Verriers de France opleverde. Hij werd daarna gevraagd als lid van het verbond van Franse glazeniers.

Op de jaarbeurs van Milaan (1927) werd hem weer een Grand Prix toegekend voor zijn glasramen in het Nederlandse paviljoen.

Nicolas kreeg veel opdrachten via het Instituut voor Kerkelijke Kunst te Amsterdam. Behalve religieuze opdrachten voerde hij ook anderssoortige beglazingen uit zoals voor: het St Canisiusziekenhuis te Nijmegen (1926); het gemeentehuis van Breda (1926-1927) en dat van Roermond (1962-1963); N.V. Philips Eindhoven (1927-1929); het trappehuis van het raadhuis te Hilversum (1931) en de KRO te Hilversum (1937-1938); en voor talloze particulieren.

Een bekende niet-religieuze opdracht is het raam van de Baronie van Breda (1933) in de Nieuwe Kerk te Delft waar het accent ligt op de vrije schildering en een spaarzaam loodlijnenpatroon.

Samenwerkend met architect Alfons Boosten beglaasde hij de St Lambertuskerk en H. Hartkerk te Maastricht (1923) en de St Hubertuskerk te Beek-Genhout (1937).

In 1938 schreef hij het boek Wij Glazeniers ... waarin hij een historisch overzicht gaf van de glasschilderkunst, maar tegelijkertijd een pleidooi hield voor vakbeheersing en geïnspireerd werken. Nicolas apprecieerde het individualisme van de zestiende-eeuwse glazenier en de manier waarop deze een volkse thematiek op een hoger geestelijk niveau bracht. Met deze renaissance-mentaliteit voelde Nicolas zich nauw verbonden.

Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in 1939, vertrok het gezin Nicolas naar de Verenigde Staten. Hij liet zich naturaliseren en in New York werkte hij voor het atelier Harold Rambusch, gespecialiseerd in religieus en decoratief glas. Rambusch is voor Nicolas een springplank geweest voor zijn latere carriere in Amerika.

Na de oorlog kwam Nicolas regelmatig naar Nederland terug voor tentoonstellingen en nieuwe opdrachten. Voor de St Pancratiuskerk te Tubbergen (1953-1954), waar zijn vader en grootvader ook al werk hadden geleverd, maakte hij acht ramen met als thema de Apocalyps. Met deze cyc1us bewees hij zijn originaliteit in de uitwerking van een veel uitgebeeld verhaal.

In 1956 keerde hij voorgoed terug naar zijn geboortestreek. Vanaf 1955 tot 1972 werkte Nicolas aan de ramen voor de Oude Kerk te Delft. Met de dramatische geladenheid in het Jesajaraam (1972) bewijst hij voor de laatste maal zijn uitzonderlijk persoonlijk talent en vakbeheersing.

Met het optreden van Nicolas begon er een nieuw tijdperk voor de glasschilderkunst in Nederland. In het St Maartensraam (1925) bevrijdde hij deze kunst uit de verstarring van neo-gotische traditie. Het raam is een en al beweeglijkheid door de ritmische compositie van de figuren. De kleuren zijn vol vitaliteit en lopen van wit in het centrum naar rood en blauw aan de randen. De verdeling van de loodlijnen is asymmetrisch: grote vlakken in het midden en kleinere aan de boorden van het raam. Later spelen de loodlijnen een meer zelfstandige rol. De lijnen lopen dan vaak dwars door de voorstelling in plaats van de con-touren van de tekening te volgen. Maar ze blijven er steeds mee in dynamisch evenwicht.

Ontwerper en uitvoerder moeten volgens Nicolas verenigd zijn in een persoon, maar in de praktijk kwam daar bitter weinig van terecht. Vanaf 1953 werkte Nicolas nauw samen met de glazenier Louis Smeets van atelier Geutjes te Venlo die zijn schetsen tot kartons omwerkte en ook de uitvoering verzorgde.

Nicolas zocht op technische gebied mogelijkheden om zijn spontaniteit en expressiviteit zo veel mogelijk te kunnen bewaren in het resultaat. Zo ontwikkelde hij een techniek waarbij een monochrome grisaille werd aangebracht op een drager van opalineglas die aan de achterkant bewerkt is met zilvernitraat. Hij verkreeg hierdoor een wandschildering in glas (verre murail), beantwoordend aan zijn streven naar monumentaliteit en dynamiek. Bij de ramen werden de vlotte lijnen van de schets bewaard door ze uit te knippen en op glas hun contouren aan te brengen met een verfpistool.

Uit 1944-1946 dateert een aantal 'surrealistische' experimenten, aansluitend bij het Amerikaanse 'organic design'. Ondanks zijn jarenlange verblijf in Amerika heeft het 'modernisme' uit die tijd weinig blijvende invloed op hem uitgeoefend. Hij bleef de natuur en het leven op een vrije manier weergeven en zorgde steeds voor een evenwichtige relatie tussen tekening, kleur en loodlijn. Als degelijk vakman en kunstenaar speelde hij met deze elementen en wist hij ze naar gelang de omstandigheden te doseren om een origineel en passend geheel te verkrijgen.

filmpje naar aanleiding van expositie in Cuypershuis Roermond



Agenda Actueel

FEBRUARI 2016

op zondag 7 februari is het museum gesloten



Zaterdag  13 februari: 
13.00 uur, workshop emailleren.
info

Zondag  21 februari:
13.00 uur, demonstratie emailleren,
14.00 uur open rondleiding. info

Woensdag 10 februari:
14.00 uur, kinderworkshop emailleren en glas-in-lood. info

Donderdag 11 februari:
14.00 uur, kinderworkshop emailleren en glas-in-lood. info

Zaterdag  27 februari:
10.30 uur, workshop glas-in-lood. info