museum voor vlakglas- en emaillekunst Ravenstein
 

Max Weiss

Plauen 1910 - Roermond 1972

terug naar documentatie

Tekst overgenomen uit "Glas in lood in Nederland 1817-1968", Dr. Carine Hoogveld

Na het behalen van het glazeniersdiploma aan de Academie te München ging Weiss werken bij de Bayerische Hofkunst Anstalt. In 1929 kwam hij in contact met Joep Nicolas die was uitgenodigd om te komen werken bij deze Hofkunst Anstalt. Nicolas zag hier echter na een korte oriëntering van af en nodigde Weiss uit om in het atelier Nicolas te Roermond te komen werken.

Toen de chef d'atelier van het oude familiebedrijf Nicolas en Zonen, G. Mesterom, een eigen atelier begon, volgde Weiss hem op.

Toen Nicolas in 1939 naar Amerika emigreerde, verkocht hij het atelier aan Max Weiss. Er is nog sprake van geweest dat Gisele Waterschoot van der Gracht mededirecteur zou worden, maar dat is niet doorgegaan. Nicolas had, voor hij naar Amerika vertrok, Weiss licentie gegeven tot het vervaardigen van opaline tableaux, waarop hij in 1936 octrooi had verkregen. Naast Max Weiss mocht ook Gisele Waterschoot van der Gracht deze techniek zelfstandig toepassen.

Weiss was nauw betrokken bij alle facetten van het ontwerpen en vervaardigen van de ramen. In zijn atelier werd ook het werk van Charles Eyck en, tot in 1940 dat van Gisele Waterschoot van der Gracht uitgevoerd.

De topjaren van het atelier lagen kwantitatief gezien tussen 1945 en 1957. In 1956 moest hij het kalmer aan gaan doen en na 1969 liet zijn gezondheid het niet meer toe opdrachten uit te voeren en werd het atelier gesloten.

Nadat Nicolas naar Amerika was verhuisd, ontwierp Weiss ook zelf. In zijn ramen blijkt duidelijk dat het werk van Nicolas een grote invloed op zijn stijl had. Weiss probeerde de vloeiende composities en krachtige lijnvoering te evenaren en maakte gebruik van hetzelfde felle, gewaagde kleurengamma. Ook gebruikte hij vooral in de eerste jaren veel grisaille, om het geheel minder doorschijnend te maken.

Weiss zette zich overigens af tegen de picturale ideeën van Nicolas bij wie het raam zo min mogelijk verbindingen met de architectuur diende aan te gaan, maar als zelfstandig 'schilderij' gedacht was.

Weiss was juist van mening, dat men in een donkere kerk de ramen moest aanpassen aan de omgeving, waarmee hij zich dus op een meer 'noordelijk' monumentaal standpunt stelde. Door grisaille te gebruiken zouden de ramen er niet 'uitspringen', maar opgaan in de muren.

In de jaren veertig werkte Weiss heel schilderachtig. Deze ramen zijn typische voorbeelden van de 'Limburgse barok' uit de jaren twintig en dertig; yolks, romantisch, speels met merkwaardige, schilderachtige elementen, wijdse perspectieven en land-schapmotieven, dynamisch en bewegelijk met een illustratief vertellend karakter. Vaak zijn de composities zeer vol.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft Weiss kort gewerkt in het toen in Brabant en Limburg gangbare neoromaans. Het perspectief verdween om plaats te maken voor egale, decoratieve achtergronden. De figuratie die eerst in het bewegelijke patroon van de compositie voor zwierige accenten had gezorgd, vulde toen de raamvlakken tot de randen en verstilden van beweging tot statische kracht. Zijn werk werd meer monumentaal.

In zijn latere ramen zien we wel een verstilling en grotere concentratie op het hoofdmotief, maar zijn de figuren weer zwierig van houding en gebaar.

In het midden van de jaren vijftig gebruikte Weiss steeds minder grisaille. Ook veranderde toen het kleurengamma van vrij fel naar een warm bruinrood.

Over het geheel genomen kan gezegd worden dat Weiss' aanpak in kleine ramen beter tot zijn recht komt dan in grote ramen. Grote composities lijkt hij vaak niet goed aan te kunnen en zijn vensters worden dan al snel uitsluitend decoratief.

Alleen de ramen in de St Lambertuskerk te Reuver vormen hierop een uitzondering. Hier heeft Weiss zijn vensters zeer licht en luchtig gehouden. In tegenstelling tot zijn andere ramen volgen de loodstrips hier niet overal de tekening, maar vormen ze een eigen ritmisch patroon.

Andere werken van Weiss treft men aan in: de Martinuskerk te Linne (1952-1955); de H. Hartkerk te Maasbracht (1953-1954); de Theresiakerk te Reuver (1958); het Canisiuscollege te Nijmegen (1947).